1. Verduidelijking reikwijdte responsieplicht ex art. 349 lid 2 Sv
1.1. de twijfelachtige waarde van het amendement Wet bekennende verdachte (2005)
Opvallend is de volgende passage in de Memorie van Toelichting, TK 29255
nr. 3, p. 5, over de motiveringsplicht van de rechter naar aanleiding
van de wijziging van art. 349 lid 2 Sv:
"...vooropgesteld kan worden dat het wetsvoorstel géén verruiming van
motiveringsplichten behelst en daartoe ook geen aanleiding geeft. Indien
de motiveringsplichten die langs jurisprudentiële weg tot stand zijn
gekomen, verder worden uitgebreid, voegt dat gebeuren (een eventuele
uitbreiding, M.B.) toe aan het belang van het onderhavige wetsvoorstel".
Wetsvoorstel 29255, dat de wijziging van art. 349 lid 2 Sv behelst,
vloeit voort uit het onderzoeksproject Strafvordering 2001. De
gewijzigde wet zou niet gericht zijn op betwiste punten, maar
beslissingen die te maken hebben met geschilpunten. Aanvankelijk gaf het
voorstel de indruk dat iedere van door het OM ingediende strafeis
afwijkende beslissing, nader gemotiveerd diende te worden.
Uitgangspunt van Strafvordering 2001 is het contradictoir geding van het
strafproces. Bij afwijking dient de rechter niet alleen de door de
verdachte aangevoerde, onderbouwde standpunten, gemotiveerd te
verwerpen; indien het vonnis afwijkt van het requisitoir, dient een
nadere motivering gegeven te worden ten aanzien van zowel de
bewijsvoering, als de straftoemeting. In een contradictoir proces past
dan ook dat de nadere motiveringsplicht bestaat voor zover door de
verdachte of het OM gemotiveerd verweer is gevoerd, respectievelijk een
gemotiveerd standpunt ten aanzien van de strafeis is ingenomen.
Evenwel geeft de verhouding tussen art. 358 lid 3 en 359 lid 2 Sv aanleiding tot vragen. In het arrest van 11 april 2006, NJ 2006, 393,
verwerpt de Hoge Raad het kwalificatieverweer, stellend dat de
tenlastelegging en bewezenverklaring moeten worden geacht dezelfde term
te bezigen als de delictsomschrijving in art. 140 Sr; de aan het verweer
ten grondslag liggende opvatting inzake de kwalificatievraag, vindt
volgens de Hoge Raad geen steun in het recht, zie r.o. 4.5- 4.7. In
feite lijkt de eis uit 359 lid 2 Sv, tweede volzin, nu juist gepasseerd
te zijn.
1.2. rechtsoverwegingen Hoge Raad
In voornoemd arrest zet de Hoge Raad de motiveringsplicht op grond van
art. 359 lid 2 Sv uiteen: de wijziging van het tweede lid van 359 Sv
zou, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet bekennende
verdachte, op twee doeleinden zijn gericht (r.o. 3.4):
1. codificatie van de jurisprudentiële ontwikkeling van de
motiveringsvoorschriften in verband met art. 358 lid 3 Sv, inzake onder
meer strafuitsluitingsgronden, alsmede de betrouwbaarheid van
bewijsmiddelen, art. 360 lid 1 Sv;
2. het verschaffen van een aanspraak aan het OM op een gemotiveerde
beslissing omtrent uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De aanspraak
van het OM en de verdachte worden in dit kader met elkaar vergeleken.
Ook andere dan genoemde betogen nopen tot motivering indien zij niet
worden aanvaard, r.o. 3.5: "in Kamerstukken II 2003-2005, 29 271, nr. 1
en 29 255, nr. 3, wordt gewezen op de belangen van procesdeelnemers en
de samenleving bij inzicht in de motivering van strafvonnissen, alsmede
op het belang van zelfcontrole door de rechter en controle door de
hogere rechter van de oordeelsvorming van de lagere rechter."
1.3. processuele kenmerken vóór en ná het amendement van art. 359 lid 2 Sv
"Omtrent de verwerping van een verweer met betrekking tot de formele
vragen (art. 348 Sv) en de kwalificatie van het bewezenverklaarde,
alsmede omtrent een beroep op een wettelijke strafverminderings- of
strafuitsluitingsgrond, moet op grond van art. 358 lid 3 Sv, in het
vonnis uitdrukkelijk worden beslist. Die beslissing moest ook voorheen
worden gemotiveerd op grond van art. 359 lid 2 Sv (oud)", aldus r.o.
3.6, "..nieuw is dat de beslissing, aangaande het OM, ter zake van de
formele vragen, de kwalificatievraag en de strafbaarheid van het feit en
de dader, nader moet zijn gemotiveerd. Voorts moeten nu ook de
bewijsbeslissing en beslissing over oplegging van maatregel of straf
nader worden gemotiveerd " De nadruk wordt gelegd op de "nadere"
motivering, omdat algemene motiveringseisen altijd hebben gegolden.
In de vrijheid van de rechter ten aanzien van de selectie en waardering
van het bewijsmaterieel, alsmede de keuze en weging van factoren die van
belang zijn voor de oplegging van de straf of maatregel, wordt door het
gewijzigde art. 359 lid 2 Sv geen wijziging gebracht, r.o. 3.8.1.
Betekenis zal toekomen aan de aard van het aan de orde gestelde
onderwerp, alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde
argumenten.
1.4. uitdrukkelijk onderbouwde standpunten
Voor zowel de verdachte en zijn raadsman als het OM heeft te gelden, dat
de responsieplicht wordt gesteld tegenover een duidelijk, door
argumenten geschraagd standpunt, voorzien van een ondubbelzinnige
conclusie. Overeenkomstige criteria worden gesteld aan een beroep op
art. 359a Sv, r.o. 3.7.2. Verweren in de zin van art. 358 lid 3 Sv
dienen door de raadsman van de verdachte schriftelijk te worden
vastgelegd. Wordt het verweer niet bij wijze van de pleitnota ingediend,
dan kan overeenkomstig art. 326 lid 4 Sv worden verzocht om het verweer
in het proces-verbaal van de zitting op te nemen.
2. Uitleg verweren ex. 359 lid 2 Sv
2.1. Meer en Vaart-verweer (HR 1 februari 1972, NJ 1974, 450)
Lees het arrest-Meer en Vaart in de uitgave van Ars Aequi, m. nt. van
Th. W. van Veen. Van Veen wijst op de noot van G.E. Mulder. De
annotatie van laatstgenoemde heeft in het heden nog altijd
rechtsgelding.
Een nadere bewijsmotivering is noodzakelijk, "wanneer de verdachte een
bewering betreffende het bewijs doet, die niet met de inhoud der
gebezigde bewijsmiddelen, maar wel met de bewezenverklaring strijdt".
"De beslissing van de HR brengt bewijsmotiveringen in zaken als de
onderhavige dus in de buurt van beroepen op strafuitsluitingsgronden,
waarover de rechter uitdrukkelijk een beslissing moet geven wanneer hij
het daarmee niet eens is. De nadere motivering kan in de
bewijsconstructie zelf worden gegeven".
Zie voorts punt 3 van de annotatie: de plaats in de tenlastelegging
wordt door verdachte als onjuist aangemerkt. Doordat de rechtbank en HR
een andere opvatting hebben over het begrip "kruising van wegen", rijst
de vraag of de situatie wel valt onder de delictsomschrijving van het
overtreden wetsartikel en is het verweer van verdachte achteraf gezien
relevant geworden. De verdachte doet in wezen een beroep op op de
niet-strafbaarheid van het bewezen verklaarde; dat is een beroep op art.
358 lid 3 Sv, dat bepaaldelijk een beslissing vereist. Het verweer
balanceert op de grens tussen bewijsverweer en een verweer betreffende
de (niet-)strafbaarheid van het feit.
2.2. Dakdekkerverweer (HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411)
Requirant voert een kwalificatieverweer, zie r.o. 6.2: "Nu het verweer
niet van louter feitelijke aard is, doch daarin tevens de rechtsvraag
wordt gesteld of verdachte al dan niet onder de kwalificatie valt, had
het Hof nader behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat
evenbedoelde vraag bevestigend diende te worden beantwoord."
2.3. wijziging rechtspraktijk door Wet bekennende verdachte (2005)?
Dat de Meer en Vaart-verweren en Dakdekkerverweren ná de doorvoering van
het amendement van art. 359 lid 2 Sv hun gelding hebben behouden, wordt
uiteengezet in HR 13 maart 2007, NJ 2007, 180, met conclusie van
Procureur-Generaal Fokkens. Is de rechtspraktijk ten aanzien van de
(nadere) motivering op grond van art. 358 lid 3 en 359 lid 2 Sv, na het
amendement-Wet bekennende verdachte 2005, veranderd ten opzichte van de
praktijk van vóór het amendement?
"Blijkens de geschiedenis van
de totstandkoming van die Wet was de wijziging van art. 359 lid 2 Sv in
elk geval gericht op codificatie van de motiveringsvoorschriften die de
Hoge Raad reeds in zijn jurisprudentie had ontwikkeld, zulks in
aansluiting op de wettelijke voorschriften van art. 359 lid 2 Sv (oud),
in verbinding met art. 358 lid 3 Sv, inzake onder meer
strafuitsluitingsgronden, alsmede op art. 360 lid 1 Sv, inzake de
betrouwbaarheid van de daar genoemde bewijsmiddelen. Op grond van die
jurisprudentie was de feitenrecht al gehouden uitdrukkelijk en
gemotiveerd te beslissen omtrent een aantal bewijsverweren",r.o. 3.1.
"Een betoog waarin beroep wordt gedaan op niet hoogst
onwaarschijnlijke feiten en/ of omstandigheden die met de inhoud van de
door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn, doch die
-indien juist- in strijd zijn met de bewezenverklaring, is zo een
bewijsverweer waarvan de feitenrechter ook vroeger niet de juistheid in
het midden mocht laten. Dat geldt óók voor Dakdekkerverweren, waarin de
uitleg van een in de tenlastelegging opgenomen of daarin besloten
liggend begrip dat aan de wet is ontleend, aan de orde wordt gesteld",
r.o. 3.2.
3. Weerlegging verweren (HR 08 april 2008, NJ 2008, 231)
3.1. geen consensus over de betekenis van art. 359 lid 2 Sv voor Dakdekkerverweren
Requirant
klaagt dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv heeft verzuimd om te
responderen. Hij zou een Dakdekkerverweer voeren, daar het betoog niet
louter van feitelijke aard is, maar een rechtsvraag aan de orde stelt
over de uitleg van een begrip in de tenlastelegging. Opvallend is de
volgende zin in punt 3.5 van de conclusie: "vóór het van kracht worden
van de Wet bekennende verdachte werden, als ik het goed zie, nauwelijks
eisen gesteld aan de onderbouwing van zo een verweer". (Die gedachte
vindt steun in het uitgangspunt dat al snel is voldaan aan de eis dat
het standpunt uitdrukkelijk moet zijn onderbouwd, M.B.).
Ook de bewijsbeslissing en de beslissing over de oplegging van straf en/
of maatregel dienen nader te worden gemotiveerd als de rechter afwijkt
van door of namens de verdachte ingebrachte "uitdrukkelijk onderbouwde
standpunten". De nadruk ligt op "nader", omdat voorheen reeds algemene
motiveringseisen golden.
Let op de overwegingen in de tweede en
derde alinea van 3.5. van de conclusie: "De vraag is wat de invoering
van art. 359 lid 2 Sv voor het Dakdekkerverweer betekent. Worden de
eisen opgeschroefd, omdat het Dakdekkerverweer wordt opgezogen door art.
359 lid 2 Sv, tweede volzin, of valt het Dakdekkerverweer buiten de
eisen van dit artikel? In de rechtspraak zijn signalen aan te wijzen van
verschillende strekking".
3.2. of verzuim tot cassatie leidt, is afhankelijk van onder meer de bewezenverklaring
Naar
het oordeel van A-G mr. Machielse is de klacht gegrond: het verhandelde
ter terechtzitting is onvoldoende om te kunnen spreken van een
toereikende en begrijpelijke motivering van de uitspraak. Het verzuim
van de responsieplicht heeft, gelet op art. 359 lid 8 Sv, nietigheid tot
gevolg. De gegrondheid van de klacht hoeft in onderhavige zaak echter
niet tot cassatie te leiden. Aan de bewezenverklaring van het ten laste
gelegde wordt namelijk niet afgedaan. Het verweer had (gemotiveerd)
verworpen moeten worden.
Uiteenzetting van de theoretische kaders, gericht op studenten rechtsgeleerdheid in het Wetenschappelijk Onderwijs.
Posts tonen met het label Dakdekkerverweer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dakdekkerverweer. Alle posts tonen
zaterdag 4 februari 2017
maandag 30 januari 2017
Strafprocesrecht: inhoud en motivering van het vonnis, art. 358/359 Sv
1. Inhoud van het vonnis (art. 358 Sv)
1. In het geval van art. 349 lid 1 Sv, bevat het vonnis de daarbij vermelde beslissingen. De antwoorden op de formele vragen die in het vonnis dienen te worden opgenomen, zijn dus: nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank, niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing der vervolging;
2. Stuit de zaak niet af op één van de formele vragen, dan bepaalt het tweede lid dat het vonnis in de andere gevallen de beslissing van de rechtbank over de materiële vragen uit art. 350 Sv bevat;
3.Wordt in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer uit art. 349 lid 1 Sv, niet toegepast, of aangenomen dat het bewezen verklaarde een strafbaar feit oplevert, of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond níet aanwezig is, dan geeft het vonnis daarover een beslissing.
Hoe moeten het eerste en derde lid van art. 358 Sv- in onderlinge samenhang- gelezen worden?
a. de rechter hoeft de formele vragen niet in het vonnis op te nemen, indien géén van de dicta uit art. 349 lid 1 wordt uitgesproken én wanneer er door de verdachte geen uitdrukkelijk verweer zoals bedoeld in de eerste volzin van art. 358 lid 3 jo. 349 lid 1 Sv is gevoerd (nietigheid dagvaarding, onbevoegdheid rechter, niet-ontvankelijkheid OM en schorsing vervolging);
b. wordt een van de verweren uit art. 358 lid 3 Sv aangenomen door de rechter, dan dient een beslissing te worden genomen op grond van art. 358 lid 1 en 2 Sv jo. 349 lid 1 (de formele vragen) jo. 350 Sv (de materiële vragen);
c. voorts dienen de kwalificatieverweren, verweren gebaseerd op de wettelijke strafverminderingsgronden als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv en verweren op basis van de schulduitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden, gemotiveerd te worden verworpen.
Het bewijsverweer is géén verweer in de zin van het derde lid van artikel 358 Sv.
2. Inhoud en motivering van het vonnis (art. 359 Sv)
Het tweede lid van art. 359 Sv bepaalt dat beslissingen op grond van art. 358 lid 1-3 Sv, gemotiveerd dienen te worden in het vonnis. Het derde lid van dit artikel voegt daaraan toe dat de gemotiveerde verwerping van het bewijsverweer in het vonnis wordt opgenomen: "de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe reden gevende feiten en omstandigheden". Indien de verdachte heeft bekend, is de motivering van de bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen niet nodig, dan volstaat immers de eenvoudige opgave van de bewijsmiddelen, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of diens raadsman vrijspraak heeft bepleit.
Relevant voor de behandeling van art. 359 lid 2 en 3 Sv zijn de zogenaamde "Meer en Vaart-verweren", "Dakdekkerverweren", "zuivere" bewijsverweren en kwalificatieverweren. Voorts kunnen de vragen worden gesteld, wat de reikwijdte van de responsieplicht volgens de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv is, wanneer er sprake is van ernstig vormverzuim en wanneer bewijs mag worden uitgesloten, ex. art. 359a Sv.
2.1. Meer en Vaart-verweer
Kijk naar de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv (van kracht sinds 2005): "Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op, die daartoe hebben geleid". Zoals nog zal blijken, is snel voldaan aan de eis dat een standpunt in de zin van art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv uitdrukkelijk is onderbouwd (HR 8 april 2008, NJ 2008, 231; ECLI:NL:HR:2008:BC5969).
Een dergelijk verweer wordt van oudsher uitgelegd als, zie HR 19 februari 1972, NJ 1974, 450:
1. een beroep op een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid (die tot vrijspraak zou leiden);
2. die niet in strijd is met de bewijsmiddelen (de bewijsmiddelen sluiten het door de verdachte geschetste scenario niet uit).
Daarbij geldt, dat het verweer door de verdachte niet slechts een uit vele scenario's is; of de door verdachte voorgedragen mogelijkheid plausibel is, dient te worden beoordeeld op basis van de bewijsmiddelen.
Dat een Meer en Vaart-verweer onder de definitie van art. 359 lid 2 Sv valt, is bevestigd in het arrest-Uitleg verweren ex. art. 359 lid 2 Sv (HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4714).
2.2. Dakdekkerverweer
Het Dakdekkerverweer is, evenals het Meer en Vaart-verweer, een bewijsverweer. Anders dan het Meer en Vaart-verweer is het Dakdekkerverweer in materieel opzicht een kwalificatieverweer, zie HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411.
Het kwalificatieverweer komt reeds bij de behandeling van de bewijsvraag, de eerste materiële vraag uit art. 350 Sv, aan de orde. Derhalve valt het Dakdekkerverweer onder het bereik van art. 358 lid 3 Sv.
3. Relevantie art. 359 lid 2 Sv
De motivering van het vonnis naar aanleiding van een bewijsverweer, Dakdekkerverweer en Meer en Vaart-verweer is sinds de invoering van de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv, niet veranderd. De criteria voor de uitleg en weerlegging van de verweren ex. art. 359 lid 2 Sv zijn dezelfde gebleven als de criteria die vóór 2005 gelding hadden. De wetgever heeft de plicht tot motivering, zoals die in de rechtspraak bestaat, slechts gecodificeerd, omdat niet in alle zaken werd voldaan aan de processuele criteria. Inhoudelijk gezien is er echter geen verandering gebracht in de plicht om, behoudens de aard van het verweer van de verdachte, een gedegen motivering te geven.
1. In het geval van art. 349 lid 1 Sv, bevat het vonnis de daarbij vermelde beslissingen. De antwoorden op de formele vragen die in het vonnis dienen te worden opgenomen, zijn dus: nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank, niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing der vervolging;
2. Stuit de zaak niet af op één van de formele vragen, dan bepaalt het tweede lid dat het vonnis in de andere gevallen de beslissing van de rechtbank over de materiële vragen uit art. 350 Sv bevat;
3.Wordt in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer uit art. 349 lid 1 Sv, niet toegepast, of aangenomen dat het bewezen verklaarde een strafbaar feit oplevert, of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond níet aanwezig is, dan geeft het vonnis daarover een beslissing.
Hoe moeten het eerste en derde lid van art. 358 Sv- in onderlinge samenhang- gelezen worden?
a. de rechter hoeft de formele vragen niet in het vonnis op te nemen, indien géén van de dicta uit art. 349 lid 1 wordt uitgesproken én wanneer er door de verdachte geen uitdrukkelijk verweer zoals bedoeld in de eerste volzin van art. 358 lid 3 jo. 349 lid 1 Sv is gevoerd (nietigheid dagvaarding, onbevoegdheid rechter, niet-ontvankelijkheid OM en schorsing vervolging);
b. wordt een van de verweren uit art. 358 lid 3 Sv aangenomen door de rechter, dan dient een beslissing te worden genomen op grond van art. 358 lid 1 en 2 Sv jo. 349 lid 1 (de formele vragen) jo. 350 Sv (de materiële vragen);
c. voorts dienen de kwalificatieverweren, verweren gebaseerd op de wettelijke strafverminderingsgronden als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv en verweren op basis van de schulduitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden, gemotiveerd te worden verworpen.
Het bewijsverweer is géén verweer in de zin van het derde lid van artikel 358 Sv.
2. Inhoud en motivering van het vonnis (art. 359 Sv)
Het tweede lid van art. 359 Sv bepaalt dat beslissingen op grond van art. 358 lid 1-3 Sv, gemotiveerd dienen te worden in het vonnis. Het derde lid van dit artikel voegt daaraan toe dat de gemotiveerde verwerping van het bewijsverweer in het vonnis wordt opgenomen: "de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe reden gevende feiten en omstandigheden". Indien de verdachte heeft bekend, is de motivering van de bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen niet nodig, dan volstaat immers de eenvoudige opgave van de bewijsmiddelen, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of diens raadsman vrijspraak heeft bepleit.
Relevant voor de behandeling van art. 359 lid 2 en 3 Sv zijn de zogenaamde "Meer en Vaart-verweren", "Dakdekkerverweren", "zuivere" bewijsverweren en kwalificatieverweren. Voorts kunnen de vragen worden gesteld, wat de reikwijdte van de responsieplicht volgens de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv is, wanneer er sprake is van ernstig vormverzuim en wanneer bewijs mag worden uitgesloten, ex. art. 359a Sv.
2.1. Meer en Vaart-verweer
Kijk naar de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv (van kracht sinds 2005): "Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op, die daartoe hebben geleid". Zoals nog zal blijken, is snel voldaan aan de eis dat een standpunt in de zin van art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv uitdrukkelijk is onderbouwd (HR 8 april 2008, NJ 2008, 231; ECLI:NL:HR:2008:BC5969).
Een dergelijk verweer wordt van oudsher uitgelegd als, zie HR 19 februari 1972, NJ 1974, 450:
1. een beroep op een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid (die tot vrijspraak zou leiden);
2. die niet in strijd is met de bewijsmiddelen (de bewijsmiddelen sluiten het door de verdachte geschetste scenario niet uit).
Daarbij geldt, dat het verweer door de verdachte niet slechts een uit vele scenario's is; of de door verdachte voorgedragen mogelijkheid plausibel is, dient te worden beoordeeld op basis van de bewijsmiddelen.
Dat een Meer en Vaart-verweer onder de definitie van art. 359 lid 2 Sv valt, is bevestigd in het arrest-Uitleg verweren ex. art. 359 lid 2 Sv (HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4714).
2.2. Dakdekkerverweer
Het Dakdekkerverweer is, evenals het Meer en Vaart-verweer, een bewijsverweer. Anders dan het Meer en Vaart-verweer is het Dakdekkerverweer in materieel opzicht een kwalificatieverweer, zie HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411.
Het kwalificatieverweer komt reeds bij de behandeling van de bewijsvraag, de eerste materiële vraag uit art. 350 Sv, aan de orde. Derhalve valt het Dakdekkerverweer onder het bereik van art. 358 lid 3 Sv.
3. Relevantie art. 359 lid 2 Sv
De motivering van het vonnis naar aanleiding van een bewijsverweer, Dakdekkerverweer en Meer en Vaart-verweer is sinds de invoering van de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv, niet veranderd. De criteria voor de uitleg en weerlegging van de verweren ex. art. 359 lid 2 Sv zijn dezelfde gebleven als de criteria die vóór 2005 gelding hadden. De wetgever heeft de plicht tot motivering, zoals die in de rechtspraak bestaat, slechts gecodificeerd, omdat niet in alle zaken werd voldaan aan de processuele criteria. Inhoudelijk gezien is er echter geen verandering gebracht in de plicht om, behoudens de aard van het verweer van de verdachte, een gedegen motivering te geven.
Abonneren op:
Posts (Atom)