1. Welke rechtsbronnen worden in het internationaal recht erkend?
Zie artikel 38 van het
Statuut van het Internationaal Gerechtshof. Er worden onder a t/m d vijf bronnen onderscheiden, te weten:
- Internationale verdragen. In geval van conflict dienen de toe te
passen verdragen expliciet te worden erkend door de conflictpartijen;
- (Internationaal) gewoonterecht, een algemeen gebruik, geaccepteerd (geïnterneerd) als recht;
- Algemene rechtsbeginselen, erkend door beschaafde natiestaten;
- Jurisprudentie;
- De doctrine.
De laatste bronnen worden aangemerkt als `subsidiary means for the determination of rules of law´.
Aan de doctrine wordt rechtsgelding ontleend door het feit dat
gezaghebbende juristen bijdragen aan het ontwikkelen van belangrijke
leerstukken en de opinio iuris.
2. Wat is het verschil tussen intergouvernementalisme en supranationalisme?
Bij intergouvernementele organisaties staat de unanimiteit in
besluitvorming voorop. Op basis van gelijkwaardigheid nemen organisaties
of staten een beslissing. Een besluit wordt slechts aangenomen wanneer
er eenparigheid van stemmen is bereikt.
Bij supranationalisme in besluitvorming is deze unanimiteit geen
vereiste. Met een (hetzij veelal gekwalificeerde) meerderheid kan een
besluit al worden aangenomen.
3. Waaraan ontleent de gewoonte rechtsgelding?
Het costumiere recht valt niet noodzakelijkerwijs onder de lex scripta,
maar veel regels van het gewoonterecht zijn in de loop der eeuwen wel
gecodificeerd in wetten of verdragen. Er dient sprake te zijn van een
handelspraktijk: een gewoonte is voor herhaalde toepassing vatbaar.
Belangrijk is de
opinio iuris sive necessitatis: de opvatting dat een gewoonte rechtens geldt en verbindend is voor de gemeenschap.
Op welke wijzen kunnen nieuwe staten tot stand komen?
Om het kort te houden (de juridische waardering van staten volgt later); staten ontstaan door:
- Afscheiding;
- Ontbinding;
- Aaneensluiting.
Er is een verschil tussen afscheiding en ontbinding. Bij afscheiding
blijft de `moederstaat´ voortbestaan. In het geval van ontbinding, komt
tevens een einde aan het effectief gezag van de moederstaat. Er dient
vervolgens te worden besloten of er sprake is van voortzetting of
opvolging van de voormalige staat.
4. Staten
4.1. Wat is het belang van de Montevideo-criteria?
Volgens het Verdrag van Montevideo (1933) dient een staat te voldoen aan de volgende criteria:
- Territoir;
- Bevolking;
- Effectief gezag.
Is een entiteit volgens de criteria een `staat´, dan is er een vierde, niet op zichzelf staand criterium te noemen: de staat is
geschikt om internationale betrekkingen aan te gaan- zie artikel 1 van de Montevideo Convention on the Rights and Duties of States, 26 Dec. 1933.
In de inleiding van het artikel is te zien wat het belang van de
Montevideo-criteria is: een staat die voldoet aan de bovenstaande
criteria, bezit rechtssubjectiviteit.
Een staat als entiteit met effectief, soeverein gezag, heeft niet
slechts de capaciteit om internationale betrekkingen aan te gaan en
rechtshandelingen te verrichten; ook garandeert effectief gezag de
bescherming van rechten van derden (onderdanen en binnen het territoir
verblijvende (rechts)personen).
Het is begrijpelijk dat niet iedere entiteit die effectief gezag
uitoefent over (een deel van) de bevolking en het grondgebied, zich
daadwerkelijk een `staat´ kan noemen.
De facto-regimes voldoen
aan meerdere of zelfs alle Montevideo-criteria, maar zij missen de
juridische erkenning om als staat beschouwd te kunnen worden.
Om het begrip
rechtssubjectiviteit te bespreken: staten,
(rechts)personen en internationale organisaties bezitten
rechtssubjectiviteit. De juridische erkenning van een staat heeft
gevolgen voor de rechtssubjectiviteit op internationaal toneel. Een
staat die rechtssubjectiviteit bezit, kan:
- Rechtshandelingen verrichten;
- Internationale rechten en plichten hebben;
- Aansprakelijk gesteld worden voor schending van rechten en plichten.
Zoals bekend, zijn de bevoegdheden van de Nederlandse Staat (en
vervolgens de niveaus provincie en gemeente) gecodificeerd in 2:1en 2:3
BW. In het internationaal recht is een formele basis van de
rechtssubjectiviteit moeilijker aan te wijzen. Vaak zijn de bevoegdheden
van staten als rechtspersonen zijnde, versnipperd over tal van
verdragen. Bovendien duidt de praktijk (gewoonte & jurisprudentie) op aanwezigheid van rechtssubjectiviteit van staten.
Aan een staat met rechtssubjectiviteit komen niet alleen verplichtingen,
maar ook rechten toe. Het voordeel van juridische erkenning, is dat de
staat uiteindelijk ook bescherming van de (internationale) rechten
geniet. Zo kunnen staten die partij zijn bij internationale (of
universele) verdragen, bij bedreiging van hun rechtsorde, bijstand
ontvangen van de internationale gemeenschap.Over de erkenning van staten
en regeringen later meer.
Let op: de Montevideo-criteria hebben betrekking op het ontstaan van staten, niet op het voortbestaan van staten.
Kan een internationale organisatie een staat aansprakelijk stellen?
Zie Reparation for Injuries, ICJ Rep 174, ICGJ 232 (1949), rechtsoverweging 52:
`...in the event of an agent of the United Nations in the performance of
his duties suffering injury [...], the United Nations as an
Organisation has the capacity to bring an international claim against
the responsible de jure or de facto government [..]´.
Reparation for Injuries is om twee redenen belangrijk. Ten eerste is er
de beslissing dat aan een organisatie rechtspersoonlijkheid toekomt. Het
bezit van rechtspersoonlijkheid impliceert dat een (internationale)
organisatie schadevergoeding kan eisen.
Ten tweede wordt in bovenstaande rechtsoverweging bepaalt dat, naast
de iure-regimes
(juridisch erkende regimes), ook de facto-regimes verantwoordelijk
gehouden, dan wel (uiteindelijk) aansprakelijk gesteld kunnen worden.
Het laatste houdt verband met het leerstuk van de erkenning der
regeringen de iure, het onderscheid tussen impliciete en expliciete
erkenning en de declaratoire of constitutieve leer.
De constitutieve en declaratoire leer
Twee scholen geven ieder een andere visie op de eis tot erkenning van
nieuwe regimes/ staten door bestaande staten: de constitutieve en
declaratoire leer. De
constitutieve leer, voornamelijk gedoceerd
door Kelsen, voorschrijft dat erkenning berust op vaststelling van
feiten; het effectieve gezag over territoir en bevolking staat centraal.
De
declaratoire leer ontkent erkenning als criterium voor het
bestaan van de staat, omdat een staat ook zonder erkenning existeert.
Erkenning is een middel om een andere entiteit op de aanwezigheid van
effectief (soeverein) gezag te beoordelen- zie de zaak-
Deutsche Continental Gas Gezellschaft.
De statenpraktijk bevestigt de
declaratoire functie van erkenning: erkenning heeft gevolgen voor de rechtssubjectiviteit van een entiteit/ staat. Zoals uiteengezet in
Vragen en antwoorden, deel I,
uit deze rechtssubjectiviteit zich in de mogelijkheid om
rechtshandelingen te verrichten, maar ook in de mogelijkheid om
(bilaterale of multilaterale) verdragen te sluiten en de plicht om
(universele) rechten van derden te beschermen.
Samengevat heeft de erkenning van entiteiten, juridische meerwaarde met betrekking tot:
- Het beoordelen van de aanwezigheid van effectief gezag over bevolking en territoir;
- De rechtssubjectiviteit van een staat. Daaruit volgt dat een staat de
mogelijkheid heeft om internationale betrekkingen aan te gaan, maar zich
ook aan beginselen van het internationaal gewoonterecht ius cogens
dient te houden;
- Het correctief effect op de ontwikkeling van de staat. Andere staten
kunnen het proces van ontstaan van een nieuwe staat ondersteunen en,
waar nodig, bijsturen.
Op welke wijzen wordt de erkenning van regeringen tot uitdrukking gebracht?
Wees bedacht op het onderscheid tussen de erkenning van staten en de
erkenning van regeringen. De Montevideo-criteria zijn ontwikkeld om het
ontstaan van een staat te beoordelen, de declaratoire en constitutieve
leer hebben betrekking op de noodzaak van erkenning van een staat en de
staat is eveneens centraal object bij het verbinden van juridische
gevolgen aan erkenning door derde staten.
Bij erkenning de iure wordt een regering als rechtmatig gezag beschouwd.
Erkenning de facto geschiedt wanneer de autoriteit van een andere staat
op termijn zeker als rechtmatig soeverein gezag zal worden beschouwd.
In de traditie van de statenpraktijk is het veelal ongebruikelijk om
regeringen expliciet te erkennen. De impliciete erkenning van regeringen
heeft de voorkeur. Een veelgebruikt instrument dat duidt op impliciete
erkenning, is het aangaan van betrekkingen met de autoriteit van een
andere staat.
Welke beginselen liggen ten grondslag aan de personele jurisdictie?
Maak allereerst een onderscheid tussen de wetgevende, handhavende en
rechtsprekende jurisdictie. Immuniteiten van diplomatieke en consulaire
diensten beperken, behoudens de juridische context, de mogelijkheid van
het uitoefenen van rechtsprekende en handhavende jurisdictie.
Aan vier beginselen ontleent de staat de macht om personele jurisdictie uit te oefenen, te weten:
- Het territorialiteitsbeginsel. De soevereine staat heeft de
bevoegdheid om jurisdictie uit te oefenen over een ieder die zich binnen
het grondgebied bevindt. Het subjectieve territorialiteitsbeginsel
beperkt zich tot het eigen grondgebied - vergelijk. art 2 Sr. Het
objectieve territorialiteitsbeginsel is van toepassing wanneer een in
een andere staat aangevangen handeling (een delict), op het eigen
grondgebied wordt voltooid. Omdat het objectieve
territorialiteitsbeginsel zich richt tot de gevolgen van een handeling
die is ingezet binnen een ander territoir, is dit beginsel ook wel
bekend als `effectbeginsel´. Vervagende grenzen nopen tot de uitoefening
van rechtsprekende en handhavende jurisdictie over niet-onderdanen. Het
is mogelijk om een andere staat te benadelen door een delict te plegen
middels een virtueel medium en het delict daarbij te voltooien binnen de
netwerken van de andere staat. Strekt het territorialiteitsbeginsel
zich tot het genoemde voorbeeld en is het beginsel wel effectief? Dit
beginsel is discutabel.
- Het personaliteitsbeginsel. Het actieve
nationaliteitsbeginsel geeft de bevoegdheid om jurisdictie uit te
oefenen over personen die de nationaliteit van de staat bezitten, waar
ter wereld zij zich ook bevinden.
Het passieve nationaliteitsbeginsel wekt
de indruk van onrechtmatigheid. De staat heeft de bevoegdheid om
niet-onderdanen, die in het buitenland (!) aan onderdanen van de staat
schade hebben toegebracht, aan jurisdictie te onderwerpen. Een delict,
gepleegd buiten het territoir, door een persoon die niet is onderworpen
aan de soevereiniteit van de staat: hoe is het mogelijk dat een vreemde
staat rechtsmacht heeft? Ten eerste: de rechtsmacht wordt ontleend aan
verdragen die bepalen wanneer een vreemde staat jurisdictie over
niet-onderdanen in het buitenland mag uitoefenen. Ten tweede: de
handhavende jurisdictie is in dit geval uitgesloten. Extraterritoriale handhaving
druist rechtstreeks in tegen de internationaal erkende
staatssoevereiniteit. Wanneer een staat slechts wetgevende en
rechtsprekende jurisdictie heeft over een niet-onderdaan in het
buitenland, dient de andere staat handhavend op te treden. Enige
samenwerking is dus onontkoombaar. Dat verklaart waarom het passieve
nationaliteitsbeginsel op grote schaal weinig effect sorteert.
- Het beschermingsbeginsel. Dit beginsel strekt tot bescherming
van de belangen van de staat en biedt de bevoegdheid tot het optreden
(met wetgeving en rechtspraak) tegen niet-onderdanen buiten het eigen
territoir.
- Het universaliteitsbeginsel beperkt zich niet tot het
beschermen van de belangen en onderdanen van de staat. Zoals het
beginsel aangeeft, gaat het om het beschermen van universele belangen
die de nationale staat overstijgen. Universele jurisdictie is van
toepassing, afhankelijk van ernst van een handeling (delict), ongeacht
het territoir of de nationaliteit van de persoon die het delict heeft
gepleegd. Klassieke voorbeelden zijn piraterij en oorlogsmisdaden.
5. Het instellen van beroep bij het Hof
Wat zijn de mogelijkheden bij een beroep tot nietigverklaring van een handeling van de EU?
Zie artikel 263 VWEU, eerste alinea, voor de ontvankelijkheid van het
ingestelde beroep. EU-instellingen kunnen zich wenden tot het Hof,
particulieren wenden zich in eerste aanleg tot het Gerecht. Ook de
lidstaten en EU-organen hebben het recht om een nietigverklaring, art.
264 VWEU, aan te vragen. Beroep dient binnen twee maanden ingesteld te
worden. De wettigheid van een handeling van één der EU-instellingen,
organen of lidstaten, wordt vervolgens getoetst.
Artikel 263 VWEU, tweede alinea, noemt de voorwaarden voor gegrondheid van een beroep tot vernietiging:
- Een onbevoegd genomen besluit (strijd met attributie- en
subsidiariteitsbeginsel: optreden zonder rechtsgrondslag en optreden
zonder exclusieve bevoegdheid door de EU-instellingen, ontbreken
objectieve gegevens t.b.v. rechterlijke toetsing);
- Schending van vormvoorschriften (schending motiveringsplicht, ontbreken van essentiële informatie);
- Schending van rechtsbeginselen en het Unierecht;
- Misbruik van bevoegdheden.
De vierde alinea van artikel 263 VWEU dient nader te worden
geanalyseerd: `Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan...beroep
instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem
individueel en rechtstreeks raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen
die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich
meebrengen.´
In samenhang met art. 277 VWEU betreft de
exceptie van onwettigheid,
een bijzondere categorie, de mogelijkheid om middellijk een besluit van
algemene strekking aan te vechten. Als de particulier meent dat een op
een besluit van algemene strekking gebaseerde handeling hem rechtstreeks
en individueel raakt, dan kan de (on)wettigheid van de algemene
strekking ter toetsing voorgelegd worden.
Om te bepalen of een particulier rechtstreeks in de belangen is geraakt,
is het handig om de vergelijking met een adressaat te trekken. Zo wordt
duidelijk of een particulier individueel geraakt is en zich derhalve
voldoende onderscheidt van andere partijen (vergelijk met de
beschikking, gehanteerd in de Awb).
Van belang is dat het beroep tot vernietiging betrekking heeft op
handelingen die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te
bewerkstelligen. De vorm van de handeling is (enigszins) ondergeschikt
aan deze factor.
Tegen een verordening kan geen beroep tot vernietiging worden ingesteld.
Echter, het Hof dient te beoordelen wanneer er sprake is van een
verordening, of dat een verordening naar aard en context toch als een
beschikking of verzameling beschikkingen kan worden aangemerkt. Ook hier
geldt: beoogt de handeling van een EU-instelling rechtsgevolgen ten
aanzien van derden en is de particulier rechtstreeks en individueel
geraakt?
Het gevolg van een geslaagd beroep tot nietigverklaring is te vinden in
art. 264 VWEU. De vernietigde handeling is niet met terugwerkende
kracht nietig. Eventuele rechtsgevolgen die voortvloeien uit de
uitoefening van het vernietigde besluit, kunnen definitief blijven, zie
tweede alinea. 266 VWEU behandelt de verplichting voor de
EU-instelling, het orgaan of de instantie tot het uitvoeren van het
arrest van het Hof.
De taakomschrijving en competentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 19 lid 1 van het VEU bepaalt het institutionele kader. Het Hof
van de EU bestaat uit het Hof van Justitie, het Gerecht en de
gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof en het Gerecht bestaan uit één
rechter per lidstaat van de EU.
De taakomschrijving staat in lid 1 en 3. Het Hof verzekert de
eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de
Verdragen. Uitspraak wordt gedaan over een door een lidstaat,
EU-instelling, natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep; de
nationale rechter kan het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing
inzake de uitlegging van Unierecht, of om het vaststellen van de
geldigheid van handelingen, afkomstig van de EU-instellingen.
In eerste aanleg melden natuurlijke en rechtspersonen zich bij het
Gerecht, ex. artikel 263 lid 4 en 265 VWEU, evenals de lidstaten
(wanneer het handelingen van de Commissie betreft). Het Gerecht is
bevoegd om het hoger beroep, 256 lid 2 VWEU, te behandelen van
ambtenarenzaken die in eerste aanleg door de gespecialiseerde rechtbank
zijn behandeld, 257 VWEU: de rechterlijke kamers. Op grond van artikel
265, lid 3, is het Gerecht slechts bij bepaalde aangelegenheden bevoegd
om kennis te nemen van prejudiciële vragen. Het betreft een
uitzondering: voor het nemen van een principiële beslissing, die invloed
heeft op de rechtseenheid binnen de Unie, kan de zaak naar het Hof
worden doorverwezen. Het Hof is, volgens de tweede alinea van lid 3, dan
ook bevoegd om een beslissing inzake een prejudiciële vraag aan het
Gerecht, te heroverwegen.
Het Hof van Justitie behandelt beroepen in eerste aanleg van
EU-instellingen en - organen, nationale rechterlijke instanties en
lidstaten. De
infractieprocedure is te vinden in de artikelen 258-260 VWEU (toetsing nakoming verplichtingen lidstaat). Artikel 263 VWEU betreft het
beroep tot nietigverklaring, 265 VWEU het
beroep wegens nalaten (let op het verschil met de infractieprocedure); art. 269 VWEU ziet op de naleving van procedures ex. art. 7 VEU.
De
prejudiciële vraag, art. 267 VWEU, wordt door de nationale
rechter voorgelegd. Rechtspersonen en natuurlijke personen kunnen geen
beroep in eerste aanleg instellen bij het Hof. Na een procedure bij het
Gerecht, is er een mogelijkheid tot hoger beroep bij het Hof. Het Hof
beperkt zich echter tot rechtsvragen, ex. artikel 256 lid 1 VWEU: ´
Tegen
de beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kan een tot
rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof
van Justitie...´
Het Hof heeft tevens een adviserende functie. Advies kan worden
ingewonnen met betrekking tot de verenigbaarheid van te sluiten
overeenkomsten met de Verdragen (VEU, VWEU). Zie art. 218 lid 11 VWEU.
Wat houdt de infractieprocedure in?
Iedere lidstaat is gerechtigd jegens een andere lidstaat een klacht
inzake de schending van verdragen, in te dienen bij het Hof van Justitie
van de EU. Op grond van artikel 259 VWEU, tweede alinea, wendt de
(wellicht in zijn belangen geschade) lidstaat, als eisende partij
zijnde, zich eerst tot de Commissie.
Artikel 258 VWEU heeft betrekking op de
precontentieuze fase. De
lidstaat die een regel uit het verdragenrecht zou hebben geschonden, kan
de verplichtingen nakomen, alvorens de Commissie de zaak bij het Hof
aanhangig maakt.
Wat is het gevolg, als de zaak voor het Hof is gewezen en de
veroordeelde lidstaat zijn verplichtingen, voortkomend uit het arrest,
alsnog niet nakomt? Zie art. 260 lid 2 en 3 VWEU: de lidstaat die door
het Hof wordt veroordeeld, kan op voorstel van de Commissie gesommeerd
worden een forfaitaire som of dwangsom te betalen.
In welk opzicht is horizontale werking met betrekking tot een richtlijn mogelijk?
In de zaak-Mangold, betreffende een conflict tussen particulieren-
werknemer en werkgever-, werd een beroep op een richtlijn gedaan. Het
verbod van (rechtstreekse) horizontale werking was geen bezwaar, omdat
het niet een richtlijn betrof die de doorslag gaf; de rechter paste het
non-discriminatiebeginsel, of het beginsel van gelijke behandeling, toe.
Dit beginsel was ook beslissend in de zaak-Kücükdeveci. Is er sprake
van verruiming van de mogelijkheid tot horizontale werking van een
richtlijn? Dat valt te betwisten. Een algemeen rechtsbeginsel heeft
volledige werking en is tegenover een ieder in te roepen. Een
rechtsbeginsel als bovengenoemde, heeft de waarborging van
rechtszekerheid tot doel.
Hoe kunnen problemen m.b.t. de rechtsgrondslag worden opgelost?
Zie de zaak-Titaandioxide, C-300/ 89- Europese Commissie en het EP tegen
de Raad. In r.o. 7 wordt gezocht naar het zwaartepunt van twee
conflicterende belangen. R.o. 10 bepaalt het volgende: `.
.in het
kader van het stelsel van bevoegdheden [..] de keuze van de
rechtsgrondslag niet alleen mag afhangen van [..] omtrent het
nagestreefde doel, maar moet berusten op objectieve gegevens die voor
rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name
het doel en de inhoud van de handeling.´
Zie verder r.o. 18 t/m 21. De dubbele rechtsgrondslag is een bezwaar.
Cumulatie van rechtsgrondslagen is niet mogelijk, omdat de twee
besluitvormingsprocedures niet verenigbaar zijn. Immers, het effect van
samenwerking uit de medebeslissingsprocedure, wordt tenietgedaan door
het gebruik van de procedure waarin unanimiteit van de Raad na
raadpleging van het Parlement van toepassing is.
Waar is de rechtspersoonlijkheid van de EU gecodificeerd?
De
nationale rechtspersoonlijkheid is te vinden in artikel 335 VWEU. De
internationale rechtspersoonlijkheid is gecodificeerd in 47 VEU. De
internationale rechtspersoonlijkheid houdt in dat de EU op
internationaal toneel partij kan zijn bij verdragen. De EU ontleent
rechtssubjectiviteit aan artikel 47 VEU.
Wat houdt het attributiebeginsel in?
Artikel 4 en 5 (lid 2) VEU betreffen de bevoegdheden van de EU.
De
expliciete
attributie van bevoegdheden krijgt voorts vorm in artikel 2 en 3 VWEU.
Laatstgenoemde artikel geeft aan op welke gebieden de Unie exclusieve
bevoegdheid heeft, te weten: de douane-unie, mededingingsregels inzake
de interne markt, het monetair beleid, de biologische rijkdommen van de
zee en de gemeenschappelijke handelspolitiek.
Artikel 3 VWEU lid 2 wijst op een exclusieve bevoegdheid die het
uitoefenen van interne bevoegdheden dient te bewerkstelligen, nl. het
sluiten van internationale overeenkomsten- een bevoegdheid die ontleend
is aan artikel 47 VEU, de internationale rechtspersoonlijkheid van de EU
(gecodificeerd sinds Lissabon). Het uitoefenen van de interne
bevoegdheden- bevoegdheden die niet expliciet zijn toegekend- houdt
verband met het leerstuk van de
implied powers.
Naast exclusieve bevoegdheden heeft de EU gedeelde (art. 4 VWEU) en
coördinerende (art. 5 VWEU) bevoegdheden. De uitoefening van
niet-exclusieve bevoegdheden is onderworpen aan de beginselen van
subsidiariteit en proportionaliteit.
Wat is het verschil tussen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit?
Om te beginnen met het
subsidiariteitsbeginsel: art. 5 lid 3 VEU, noemt twee criteria. De Unie treedt op de gebieden die
niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover:
- de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de
lidstaten (centraal, regionaal of lokaal) kunnen worden verwezenlijkt;
- de doelstellingen van het overwogen optreden kunnen, vanwege de omvang of gevolgen, beter door de Unie worden bereikt.
De subsidiariteitstoets, zoals uiteengezet, werkt gedeeltelijk
onafhankelijk van het subsidiariteitsprotocol. Let op dit onderscheid.
Slechts de EU-wetgeving is gebonden aan het protocol, terwijl
niet-wetgevingshandelingen niet onder het protocol vallen, maar wel aan
de criteria der subsidiariteit inzake artikel 5 lid 3 VEU gestaafd
worden. Om het te verduidelijken: bij wetgevingshandelingen op voorstel
van de Commissie- waarbij uiteraard de Raad en het EP betrokken zijn-
krijgen de parlementen van lidstaten inzage en inspraak. Dergelijke, aan
het subsidiariteitsprotocol onderworpen wetgevingshandelingen, vallen
niet onder de exclusieve bevoegdheid van de EU- immers komt
subsidiariteit pas aan de orde bij niet-exclusieve bevoegdheden.
Het
proportionaliteitsbeginsel, art. 5 lid 4 VEU, bepaalt dat de
inhoud en vorm van het optreden niet verder gaan dan nodig, om de
doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. Het middel staat,
aldus, in verhouding tot het doel. In de jurisprudentie zijn drie
criteria geformuleerd:
- er dient een causaal verband te zijn tussen de maatregel en het te
bereiken doel. Als een maatregel niet geschikt is, dan is er geen sprake
van proportionaliteit;
- het middel dient noodzakelijk te zijn (zie de overeenkomst met de subsidiariteit);
- strictu sensu wordt niet alleen de maatregel, maar zelfs de
doelstelling beoordeeld. Is het door de maatregel beoogde doel wel
noodzakelijk, of prevaleert wellicht een ander doel?